Begrippenlijst

  • Printen

Onderstaande lijst bevat veel gebruikte begrippen en een korte omschrijving van hun betekenis.

Wat is het Amsterdam van Anne Frank?

Het Amsterdam van Anne Frank laat via bijzondere foto's, films en verhalen het gezicht zien van de stad waar Anne Frank woonde.

Meer over deze site

Bronnenlijst

Voor Het Amsterdam van Anne Frank werd geput uit een groot aantal bronnen.

Naar bronnenlijst

Anti-Joodse maatregelen: Maatregelen die vanaf mei 1940 door de Duitse bezetter werden uitgevaardigd om Joden hun rechten en bezittingen te ontnemen.

Antisemitisme: Haat tegen Joden.

Arbeitseinsatz: Duits voor arbeidsinzet. In mei 1943 moesten Nederlandse mannen tussen 18 en 35 jaar zich melden om in Duitsland dwangarbeid te verrichten, meestal in de oorlogsindustrie.

Ariërs: Hitler en zijn aanhangers dachten in termen van ‘rassen’. Volgens hen was het ‘Arische’ ras superieur. Echte Duitsers behoorden tot dit ‘ras’.

Ariërverklaring: Verklaring die alle ambtenaren vanaf oktober 1940 moesten tekenen om aan de bezetter duidelijk te maken of ze Joods of niet-Joods waren.

Ausweis:Duits voor persoonsbewijs of identiteitsbewijs.

BS: Afkorting van Binnenlandse Strijdkrachten. De Binnenlandse Strijdkrachten (officieel: Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten) was een op 5 september 1944 bundeling van tot dan toe weinig samenwerkende verzetsgroepen.

Collaboratie: Samenwerken met de vijand. In de oorlog onder andere gedaan door 100.000 leden van de NSB (de Nederlandse nazipartij) en door 20.000 Nederlanders die vrijwillig voor het Duitse leger vochten.

Communisten: Aanhangers van het communisme, een politieke leer die streeft naar een klasseloze maatschappijvorm met een economisch systeem gebaseerd op gemeenschappelijk eigendom van productiemiddelen, waarbij iedereen produceert naar vermogen en neemt naar behoefte. In de praktijk wordt met communisme vooral de stroming bedoeld die teruggaat op de ideeën van Karl Marx (marxisme) en Vladimir Lenin (leninisme), en de uitwerking van die ideeën in de voormalige Sovjet-Unie en andere socialistische staten.

D-day: Op 6 juni 1944 landden geallieerde troepen op de stranden van Normandië om de bezette landen van Europa te bevrijden. Die dag wordt Decision-day, D-day, genoemd.

Deportatie: Gedwongen vervoer per trein van mensen uit Duitsland en de door de nazi’s bezette gebieden naar doorgangs- en concentratiekampen.

Discriminatie: Het ongelijk behandelen van mensen op grond van ras, geloof, politiek of geslacht. De nazi’s discrimineerden onder andere de Joden.

Distributie: Op vertoon van een distributiestamkaart kregen Nederlanders in de oorlog distributiebonnen voor levensmiddelen en kleding. Zo werd het weinige dat er was zo eerlijk mogelijk verdeeld.

Dolle Dinsdag: Op dinsdag 5 september 1944 raakte heel Nederland door het dolle heen door een achteraf verkeerd gebleken radiobericht dat Breda bevrijd zou zijn.

Doorgangskamp: Een concentratiekamp waar de nazi’s gevangenen onderbrachten om ze van daaruit te deporteren naar één van de concentratie- of vernietigingskampen.

Fascisten: Aanhangers van het fascisme. Fascisme is de oorspronkelijk de naam van de politieke beweging van de Italiaanse dictator Benito Mussolini die heerste tussen 1922 en 1943. Hij geloofde, net als de nazi’s, in één leider en een volk dat volgt.

Februaristaking: Een in Amsterdam en een aantal andere steden gehouden staking op 25 en 26 februari 1941. De staking kwam voort uit verontwaardiging over de Jodenvervolging en werd georganiseerd door arbeiders.

Gaarkeukens: Een gaarkeuken is een zeer eenvoudige en goedkope eetgelegenheid. Tijdens de hongerwinter kregen de armste en hongerigste mensen gratis maaltijden in gaarkeukens. Het eten werd gekookt in grote tonnen.

Geallieerden: Landen die in de Tweede Wereldoorlog tegen Duitsland, Italië en Japan vochten. De belangrijkste geallieerden waren de Verenigde Staten, Canada, Groot-Brittannië, Frankrijk en de Sovjet-Unie.

Gestapo: Afkorting van Geheime Staats Polizei, de geheime politie van de nazi’s.

Getto's: Vooral in Oost-Europa dwongen de nazi’s de Joden om in een getto te wonen. Een getto was een afgesloten gebied, meestal een stadswijk. De Amsterdamse Jodenbuurt kan ook als een getto worden beschouwd.

Hakenkruis: Het hakenkruis of ‘swastika’ was het symbool van de nazi’s.

Hollandsche Schouwburg: Schouwburg in Amsterdam waar de nazi’s in 1942-1943 opgepakte Amsterdamse Joden verzamelden om ze daarna naar Westerbork te vervoeren.

Holocaust: Woord dat verwijst naar de moord op zes miljoen Joden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Deze volkerenmoord wordt ook aangeduid met de term ‘Shoah’.

Hongertochten: Tijdens de hongerwinter in 1944 gingen veel mensen uit de grote steden in West-Nederland naar het platteland, op zoek naar extra voedsel. Soms kregen ze dat gratis, maar het gebeurde ook wel dat dorpsbewoner en boeren veel geld of spullen vroegen in ruil voor een klein beetje voedsel.

Hongerwinter: De winter van 1944-1945 staat bekend als de Hongerwinter omdat er in het Westen van Nederland 20.000 mensen stierven van de honger.

Illegaliteit: Acties van verzetsbewegingen tegen de Duitse bezetter. Kranten verschenen illegaal, persoonsbewijzen en voedselbonnen werden gestolen en vervalst en onderduikers geholpen met schuilplaatsen en transport. Er wordt onderscheid gemaakt tussen verzet en illegaliteit: de illegalen doken doorgaans meteen onder, anderen bleven op hun post, maar steunden het verzet.

Immigranten: Immigranten zijn mensen die zich voor langere tijd (willen) vestigen in een ander land of gebied.

Joden: Hiermee worden alle mensen aangeduid die een Joodse moeder hebben en/of het joodse geloof aanhangen. Orthodoxe joden zijn streng godsdienstig, liberale joden minder streng.

Jodenster: Een gele ster met zes punten waarin het woord Jood stond, die alle Joden – ouder dan zes jaar - vanaf mei 1942 op hun kleren moesten dragen.

Jodenvervolging: Hitler en zijn aanhangers vervolgden de Joden. Zij registreerden, isoleerden, deporteerden en vermoordden miljoenen Joden in Duitsland en in de bezette landen van Europa.

Kamp Westerbork: Doorgangskamp in Nederland waar de nazi’s meer dan 100.000 Joden en ongeveer 250 zigeuners verzamelden en met goederenwagons doorvoerden naar de vernietigingskampen in Polen. Ook de onderduikers uit het achterhuis kwamen hier terecht.

Kristallnacht: In de nacht van 9 op 10 november 1938 vermoordden de nazi’s in Duitsland meer dan 100 Joden en verwoestten ze honderden synagogen en winkels van Joden. Deze 'Kristallnacht' kreeg haar naam vanwege de vele kapotgeslagen ruiten.

LO: Afkorting van Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers.

Nationaalsocialisme: Het woord nationaalsocialisme verwijst naar de Duitse nazipartij NSDAP (Nationaal Socialistische Arbeiders Partij) waar Adolf Hitler de leider van was.

Nazi's: Aanhangers van het nationaalsocialisme werden nazi’s genoemd.

NSB: Afkorting van Nationaal Socialistische Beweging. Een Nederlandse beweging die in 1931 werd opgericht door Anton Mussert en ongeveer dezelfde ideeën had als de nazi’s.

NSDAP: Afkorting van Nationaal Socialistische Duitse Arbeiderspartij, de partij van Hitler en de nazi’s, die werd opgericht in 1920.

Onderduikers: Onderduikers waren mensen die zich schuil hielden voor de bezetter.

PBC: Afkorting van Persoonsbewijzencentrale. De Persoonsbewijzencentrale was een ondergrondse organisatie die tijdens de Tweede Wereldoorlog het verzet en onderduikers voorzag van vervalste persoonsbewijzen.

Pulsen: In Amsterdam werden veel huizen van weggevoerde Joden in opdracht van de bezetter leeggehaald door het verhuisbedrijf van de firma Puls. Het leeghalen van huizen heette daarom ‘pulsen’.

Racisme: Op grond van ras onderscheid maken tussen mensen en aan bepaalde rassen negatieve eigenschappen toekennen.

Radio Oranje: Een dagelijks vanuit London uitgezonden Nederlands radioprogramma met onder meer het laatste nieuws over de oorlog. De zender werd radio Oranje genoemd.

Razzia: Klopjacht waarbij een straat of wijk werd afgesloten, huizen doorzocht en mensen werden opgepakt en afgevoerd.

RVV: Afkorting voor Raad van Verzet, een Nederlandse koepel van verzetsorganisaties.

SD: Afkorting voor Sicherheitsdienst (Duits voor veiligheidsdienst), de inlichtingendienst van de SS.

Sjabbat: Ook wel sabbat. De wekelijkse Joodse rustdag die op vrijdagavond na zonsondergang begint en eindigt op zaterdagavond wanneer het volledig donker is.

SiPo: Afkorting voor Sicherheitspolizei (Duits voor veiligheidspolitie). De Sicherheitspolizei was opgebouwd uit Kriminalpolizei (Kripo) en Geheime Staatspolizei (Gestapo). Het waren de staatsrecherchediensten van het Duitsland van na 1933, de machtsovername door de nazi’s. De Sicherheitsdienst (SD) daarentegen, was de inlichtingendienst van de SS en daarmee een partijorganisatie.

Spertijd: Synoniem voor avondklok wat inhoudt dat de bevolking een bepaalde tijd niet op straat mag zijn. Tijdens de bezetting in Nederland werd er een spertijd ingesteld die liep van 24 uur 's nachts tot 4 uur in de ochtend. Deze spertijd lag niet vast. Op elk willekeurig moment konden de spertijden worden aangepast. Vanaf 1 februari 1942 werd, als extra strafmaatregel, de spertijd in Amsterdam aangepast en moesten de mensen in de hoofdstad binnen blijven vanaf 20 uur tot aan de volgende ochtend.

SS: Afkorting van Schutzstaffel (beschermingseenheid). De SS vormde een speciale eenheid van soldaten die onder meer geselecteerd waren om de kampen te bewaken.

Surrogaat: Producten als koffie, zeep, en suiker werden, omdat ze niet meer te krijgen waren, nagemaakt met andere grondstoffen. Van afval van suikerbieten werd bijvoorbeeld surrogaatkoffie gemaakt.

Synagoge: Een synagoge is een zaal of gebouw waar joden bij elkaar komen om te bidden, feest te vieren en te leren uit joodse godsdienstige boeken.

Verduistering: Om te verhinderen dat geallieerde bommenwerpers makkelijk hun doelen zouden kunnen vinden, moesten mensen in Nederland hun ramen afplakken zodat er geen licht naar buiten scheen.

Verraad: Tijdens de oorlog waren verraders mensen die onderduikers of verzetsmensen aangaven bij de Duitse politie. Eén Joodse onderduiker bracht een kwart weekloon van een timmerman op.

Verzet: Burgers die zich tegen de nazi’s verzetten door bijvoorbeeld bevolkingsregisters te overvallen, persoonsbewijzen en voedselbonnen te vervalsen, onderduikers te helpen of aanslagen te plegen.

Vluchtelingen: Mensen die hun land ontvluchten vanwege de politieke situatie of een oorlog. De familie Frank ontvluchtte in 1933 nazi-Duitsland en bouwde een nieuw leven op in Nederland.

WA: Afkorting van De Weerbaarheidsafdeling. De WA was een afdeling van de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB). Deze had als taak de beweging, haar leden en haar leider tegen aanvallen van politieke tegenstanders te beschermen.

Wehrmacht: Benaming voor de Duitse strijdkrachten zoals die vanaf 1935 tot 1945 onder de politieke leiding van Adolf Hitler zijn opgebouwd in het Derde Rijk.

Zwart Front: Het Zwart Front was een Nederlandse fascistische organisatie die actief was van 1934 tot 1941.

'Jood' of 'jood'?

Op deze website schrijven wij 'Jood' en 'Joods' met een hoofdletter, omdat het een etnische aanduiding betreft. Een Jood behoort tot het Joodse volk, net zoals een Nederlander tot het Nederlandse volk behoort.

Volgens het Groene Boekje (2005) en het Witte Boekje (2006) wordt jood alleen met een kleine letter geschreven als het de betekenis heeft van 'aanhanger van het joodse geloof'.

Twijfelgevallen

Als zowel godsdienst als etniciteit een rol speelt, volgen wij het advies van het Genootschap Onze Taal om ook dan een hoofdletter te gebruiken.

Citaten

Daar waar wij citeren uit schriftelijke bronnen, nemen wij de spelling van de bron over.

Meer informatie over de spelling van Jood en Joods vindt u op de website van het Genootschap Onze Taal.